Paul Verhoeven
Jan Muis
Een van de bekendste bewoners van het Soesterveen was Jan Muis. Op 8 mei 1846 werd hij geboren. Zijn ouders waren Harmen Muis en Hendrika van de Wepel. Jan trouwde op 27 september 1874 met AnthoniaNab.Uit het huwelijk werd in 1885 een dochter geboren. Het huwelijk tussen Jan Muis en Anthonia Nab werd in juni 1898 verbroken.
Tijdens zijn leven was Jan Muis al bekend in Soest en omgeving. Hij woonde tot 1922 in een plaggenhut nabij het huidige tuincentrum Vaarderhoogt. Hij was bezembinder en blendermaker. Zijn bezems verkocht hij op de Utrechtse markt, die hij met zijn hondenkar regelmatig bezocht. Na zijn echtscheiding ging hij in de plaggenhut wonen. De gezondheidscommissie Soest Baarn verklaarde de woning 'wegens geheel vervallen toestand' als onbewoonbaar. De gemeenteraad van Soest weigerde echter de woning onbewoonbaar te verklaren omdat men geen vervangende woonruimte kon aanbieden.
Bij de Burgerlijke Stand stond hij ingeschreven als veldarbeider. In de wijde omgeving was Jan Muis echter vooral bekend als natuurgeneeskundige en magnetiseur. Hij slachtte honden en katten en kookte het vet van die dieren zolang tot een crème-achtige substantie werd, die diende als verlichting voor gewrichtspijnen. Jan Muis had een sociale instelling; de armen hielp hij gratis. Destijds was de gezondheidszorg niet voor iedereen bereikbaar.
In ons land waren vele genezers die allerlei huismiddeltjes verstrekten en hulp boden door belezen, bestrijken en afstrijken van kwaaltjes.
De hut van Jan Muis omschrijft Engelbert Heupers als een ingegraven hol, half onder en half boven de grond. Het strooien dak, zonder schoorsteen, stak boven de grond uit. Er was maar één vertrek.
Tegen een van de uit heidezoden bestaande wandenbeyondzich de stookplaats: een open vuur met een haal, waaraan een ijzeren ketel hing. De verlichting was een kleine petroleumlamp, een zogenaamd floepertje. Het verspreidde nauwelijks licht in de donkere ruimte. Water kende Jan alleen om te drinken; zeep was voor hem onbekend.
Een van de verhalen over hem is dat als hij ooit eens zijn broek uittrok, deze door al het vet gewoon bleef staan.
Er waren vaak dieren beschikbaar die opgeruimd moesten worden. Oude honden en katten werden hem aangeboden. Ook ving hij zelf loslopende dieren. Jan slachtte de beesten en door ze te koken verkreeg hij het vet, dat vooral hielp voor springende en ruwe handen, wonden en jeuk aan handen en voeten. Volgens Jan Muis was er geen beter geneesmiddel dan zijn honden- en kattenvet.
Op zomerse dagen hing hij de kadavers op voor zijn hut. Na een paar weken broeien klopte hij de maden eruit en voerde die aan zijn kippen.
Na de Paasdagen verstrekte Jan Muis eieren die op Witte Donderdag waren gelegd. Er zijn nogal wat volkslegendes die verhalen over de genezingskracht van de witte donderdag eieren. Diverse bronnen beweren dat deze eieren zeer lang houdbaar zijn en bovendien allerlei kwalen kunnen verhelpen, tot het helen van breuken toe. Blijkbaar was dat ook bij Jan Muis bekend.
Zoals al geschreven hielp Jan Muis de armen gratis. Het is niet duidelijk waarvan hij leefde. Het verhaal gaat dat er een weldoener zou zijn waar Jan "armenvol" geld van ontving. Meer waarschijnlijk is dat hij grotendeels in zijn levensonderhoud voorzag uit de (bescheiden) opbrengst uit zijn arbeid als bezembinder en uit de oogst van zelfgebouwde gewassen. Armoede was een gegeven in het veen. Naast de plaggenhutbewoners woonden mensen in halfsteens huisjes. Het waren vaak grote gezinnen die woonden in vochtige omstandigheden.
Er was weinig werk. De wegen waren niet verhard en het gebied kampte met veel wateroverlast.
G.H.A. Simon alias Karel I
Gerrit Hendrik Antonius Simon is op 11 juli 1880 geboren te Amsterdam. Zijn vader was hoofdambtenaar bij Justitie. Op 1-jarige leeftijd overleed zijn moeder. Het volgende huwelijk van zijn vader eindigde met een scheiding in 1903.
G.H.A. Simon overleed op 25 februari 1956 te Utrecht. In de overlijdensakte staat dat hij woonachtig was te Soest en geen beroep had ten tijde van zijn overlijden. Volgens zeggen zou hij bij een ongeval om het leven zijn gekomen. Die informatie is niet bevestigd.
In de VZTS 34.1 (zomer 2013) lezen we dat in de twintiger jaren een als Karel 1 geklede man woonde in 't Gooi. Hij woonde met zijn partner Bonna Makkes eerst in Blaricum nabij de Meent. Simon had dit huis gehuurd maar weigerde de huur te betalen. Hij vond dat ieder mens recht had op een woning. Dat hield geen stand en leidde tot beëindiging van de huurovereenkomst. Later kraakte het gezin een oude 'Bokkenstal' in Laren.
Hoewel dat eerst werd gedoogd door de eigenaar, besloot die in maart 1925 tot ontruiming over te gaan. Dat lukte pas na een handgemeen met de politie.
Desondanks keerde Simon weer terug naar 'zijn huis' maar werd opnieuw uitgezet. Om herhaling te voorkomen sloopte de eigenaar het dak van de Bokkenstal.
Het gezin Simon leefde van de armenzorg (bijstand) en hield er een veelbesproken leefstijl op na. Van de gemeente kregen zij een noodwoning in Laren. Hun buurman klaagde dat Bonna zijn boontjes had gestolen. De huur van de woning werd niet betaald. Uiteindelijk volgde in december 1927 een huisuitzetting. Na uitstel vanwege een motorongeluk van de heer Simon en later een ziekte van Bonna (wat door een arts werd weersproken) volgde de uitzetting. Bonna bleef achter in Laren. Simon vertrok naar Amsterdam, naar zijn mededeling om bij zijn rechtskundig raadsman advies in te winnen. De gemeente bood Bonna en haar kind een nachtverblijf aan, maar voor Karel 1 was er geen plaats. In maart 1928 vertrok het gezin naar Assen. Bonna kwam korte tijd later alleen naar Soest. In 1960 verscheen in een regionaal blad een overlijdens-advertentie van haar.
Vanaf 1931 komen we G. Simon diverse keren tegen in de notulen van de gemeenteraad van Soest. Uit de notulen van de gemeenteraad lezen wij: "G.H.A. Simon, wonende te Apeldoorn moet een door hem gebouwde keet op een terrein bij de Birktstraat binnen 8 dagen afbreken".
In 1932 schijnt hij echter nog steeds te verblijven in die houten keet.
Omdat het niet is toegestaan in de keet te verblijven, vraagt Simon bij de gemeente om 2 hectare grond in huur te krijgen. Uit de notulen van de raad blijkt dat Simon zwervende is en geen eigen inkomsten heeft. De heer Simon wil pogen om zijn bedrijf in kunstweven weer te gaan uitoefenen. De raad wijst het verzoek van Simon af maar wel onder de toezegging dat B&W zullen trachten de man te helpen aan een stukje grond. Blijkbaar is destijds door Peter van den Breemer grond beschikbaar gesteld waarop Simon kon gaan wonen.
Uit de notulen van de raad van 10 november 1932 blijkt dat hij toen wel toestemming kreeg om zijn keet van de Birktstraat naar de Dorresteinweg te verplaatsen.
Er zijn in de loop der tijd diverse aanvragen gedaan, van het huren van percelen in Soestduinen nabij de fabriek Photax (voorganger van Chemco in Soestduinen), aan de Soesterbergsestraat, de Bosstraat, aan de Banningstraat, in de Paltz en voor een noodwoning op de Wieksloterweg.
Vanaf het einde van de dertiger jaren vestigde de heer G.H.A. Simon zich aan de Dorresteinweg. Dat hij daar woont, blijkt uit een door hem op 10 januari 1938 ingediende klacht bij de gemeente over de staat van de beplanting aan de weg en het uitblijven van gladheidsbestrijding.
Zijn woonomstandigheden op de Dorresteinweg waren primitief. Hij woonde in een houten keet met weinig voorzieningen. Opvallend is dat hij wel een fraaie tuin liet aanleggen door een hovenier, waarvan de rekening niet (tijdig) werd betaald. Ten einde raad vroeg de hovenier of de buurman het niet even kon voorschieten, Deze bedankte voor de eer en niet bekend is of de man ooit zijn geld heeft gezien.
In die tijd gaf hij op het beroep van fruitkweker te hebben. Nergens blijkt dat hij dat beroep ook daadwerkelijk heeft uitgevoerd. Meer aannemelijk is dat Simon verschillende vakken uitoefende Zo diende hij in 1941 nog een verzoek in om langs de Dorresteinweg een bord te plaatsen als fietsenmaker.
Volgens mondelinge overlevering zou de heer Simon ook nog werkzaam geweest zijn bij de weverij van de heer De Cneudt in huize Middelwijk. Hij stond enige tijd als kunstwever bij de burgerlijke stand ingeschreven en meldde in zijn contacten met de gemeente dat hij dat vak weer op wilde pakken.
De bijnaam Karel 1 had de heer Simon te danken aan zijn kleding. Hij liep rond in de kleding van een 17e- eeuwse burger. In het artikel 'Dorpstypes' in de VZTS 4.3 uit 1983/1984 beschrijft Hans Kraal hem als iemand met onduidelijke bezigheden. Meestal bevond hij zich langs de grote weg. Soms per fiets, maar meestal lopend. Karel 1 was het prototype van de lifter; bij nadering van een gemotoriseerd voertuig hield hij een bord omhoog waarop de bestemming stond vermeld. Hierbij zou hij volgens vroegere buren erg selectief te zijn geweest. Hij accepteerde geen lift van een vrachtwagen.
Op het artikel van Hans Kraal reageerden twee lezers. De heer Van den Muyzenberg meldde dat de zoon van Karel 1 bij de padvinders zat. Ook de heer G.W. Stalenhoef reageerde. Zijn informatie was: "Die man (Karel 1) heb ik goed gekend van zijn tochten per fiets door Soesterberg. Hij woonde met zijn zoontje in een houten huisje achter hotel Birkhoven en gaf zich uit als zijdewever. Voor op de fiets was een bordje bevestigd waarop stond "Een volk van dieren en bedelaars" en achter op de fiets was een dergelijk bordje bevestigd waarop stond te lezen "binnen 24 uur is de crisis opgelost". Hij was communist en moest van het Koninklijk Huis niets hebben. Karel 1 sliep met zijn zoon buiten in een tent, want zijn huisje was meer een hok."
Ook op de Dorresteinweg was de behuizing een primitief hok, waaraan wel een serre was gebouwd. Een ander is nog te zien op een luchtfoto van de boerderij. Karel 1 woonde in het pand links onderaan de foto.
Na het overlijden van de heer Simon nam zijn buurman Schimmel de grond met opstal over en gebruikte het als kippenhok. Het terrein voor het hok is in de familie bekend gebleven als Karels tuin. Een gaard met fraaie bomen en goede fruitopstanden. De peren waren zo lekker dat zelfs mensen van buiten ze kwamen plukken.
Wellicht dat door de fruitbomen de heer Simon zich uitgaf voor fruitkweker. Voor zover bekend heeft hij echter nooit actief gehandeld in fruit.
Waar komt de naam Dorrestein vandaan?
Om daar achter te komen is het boekwerk "Geschiedenis en verklaringen van de straatnamen in Soest" geschreven door Ben van Os geraadpleegd. Daarin staat: Sinds 1917 is de straat bekend als de Dorresteinweg. Deze is genoemd naar de hoeve Dorrestein, waar de kinderen van Dorrestein woonden. De hoeve stond op een dorre, zanderige plek, die grensde aan het Soesterveen, waar men turf stak.
Historische Vereniging Soest/Soesterberg
Steenhoffstraat 46
3764 BM Soest
De Historische Vereniging Soest/Soesterberg heeft een ANBI-status.