Evert Akkerman de petroleumventer

Evert Akkerman de petroleumventer.

Bakkersfamilie Van den Oord voor hun winkel aan het Kerkpad. (1925)

Bakkersfamilie Van den Oord voor hun winkel aan het Kerkpad. (1925)

10 jarig bestaan van rijwielhandel en autoverhuur Klomp. (1935)

10 jarig bestaan van rijwielhandel en autoverhuur Klomp. (1935)

Firma A. Benning aan de F.C. Kuyperstraat.

Firma A. Benning aan de F.C. Kuyperstraat.

Wandel- en Rijwielkaart. (1938)

Wandel- en rijwielkaart. (1938)

Valkenet, smidse, winkel in haarden en kachels

Valkenet, smidse, winkel in haarden en kachels 1935

Patatautomaat Koninginnelaan

Patatautomaat Koninginnelaan jaren '60

Noodsupermarkt Overhees

Noodsupermarkt Overhees 1976

Bevrijdingsoptocht 1955

Bevrijdingsoptocht 1955; wagen Gymnastiekvereniging Olympia

Menu

Belgische burgervluchtelingen in Soest

Aart Verhoeven

Vanaf 10 oktober 1914 kwamen 454 burgervluchtelingen aan in Soest.
De opvang van deze mensen moest op korte termijn geregeld worden. Zowel voor het verblijf, kleding en voeding moest de plaatselijke overheid een oplossing zien te vinden.
Begin augustus 1914 vielen Duitse troepen België binnen en veroverden in die maand een gebied tot de lijn Brussel, Namen, Dinant. Het Belgische leger trok zich terug binnen de stelling van Antwerpen. De Duitsers lieten Antwerpen tot eind september ongemoeid. Daarna viel het Duitse leger de stelling van Antwerpen aan en verlieten op 7 oktober 1914 grote aantallen militairen en burgers de stad. Zij vluchtten naar de Nederlandse grens.
Omdat de grensstreek overspoeld raakte met vluchtelingen werden deze zo snel mogelijk via het spoor over de rest van Nederland verspreid.

Aankomst eerste groep op 10 oktober 1914
Daar stonden ze dan op 10 oktober 1914 op het perron van Station Soest: 153 mannen, vrouwen en kinderen. Ze hadden hals over kop Antwerpen en omgeving moeten verlaten en waren met duizenden lotgenoten naar het neutrale Nederland gevlucht. Onderweg was het één grote chaos en na enkele nachten vaak in de open lucht te hebben moeten bivakkeren waren ze op de trein naar het voor hen onbekende Soest gezet.
Nadat de gemeente telegrafisch was geïnformeerd over de komst van de eerste groep Belgen, circa 150 mannen, vrouwen en kinderen, had men in Soest nog maar een paar uur om alles te regelen.

Een verslag uit die tijd meldt: "Oogenblikkelijk moest dus aan 't werk getogen om alles ter ontvangst gereed te maken. B. en kV stonden plotseling voor 't fell, een huishouding van plm. 100 man in elkaar te zetten, daar het herstellingsoord Trein 8.28 er 45 zou opnemen. Eén der grootste moeilijkheden was het nachtverblijf doch ook hierin kon nog tij dig voorzien  worden door bij de verschillende winkeliers de voorraad geschikte deekens op te koopen, wat echter niet genoeg bleek, en dus Baarnsche winkeliers moesten bijspringen.
Deze moeilijkheid werd nog grooter toen maandag weer een transport van 110 vluchtelingen onder dak moest worden gebracht. Maar alles is toch terechtgekomen, toen ook Amersfoort nog wat bijsprong. 
Maandagavond was echter in Soest, Baarn, Amersfoort enz. zoo goed als geen deken meer te krijgen. Overal was alles opgekocht wat maar enigszins geschikt was.
Zowel Zaterdag als Maandagavond was alles voor elkaar bij de aankomst der ongelukkigen, en bij velen welde een traan op toen men de stoet zag aankomen. En wat waren ze allen dankbaar toen ze na een flinke reiniging zich konden tegoed doen aan brood met koffie, om daarna rustig te kunnen gaan slapen.
Rustig? Och, den geheelen nacht vlogen ze in hun droomen nog overeind en wilden dan maar weer vluchten, vluchten, almaar vluchten.
En wat een verkwikking was het, die eerste warme maaltijd Men denke 't zich eens in, weken lang te zijn opgejaagd als een hert door een jager, weken lang bijna niets anders dan een droog stuk brood, weken lang geen water om zich te verfrisschen, dagen lang een schuilplaats gezocht in kelders, bij massa's opeengepakt geweest in scheepsruimen, in goederenwagens of ..... onder den blooten hemel gebivakkeerd.
En dan die stakkerds van kinderen - er waren er bij van jonger dan 1 maand - hoe treurig zagen ze er uit. Zelfs daar waar moederliefde eigen ondergoed had stukgescheurd om 't kind te helpen, was 't nog niet met drooge oogen aan te zien. Gelukkig mogen we ons noemen als we aan zoovelen de helpende hand hebben kunnen reiken, en liefderijk
opnemen.
Onze gemeente heeft gedaan wat ze kon doen. Veel hulpvaardigheid werd gezien en gevonden bij velen. We denken daarbij vooral ook aan enkele particulieren, die liefderijk  vluchtelingen in huis opnamen, vooral ook aan de Moeder Overste van het St. Josephgesticht, die terstond beddengoed afstond, en eenige zwakke en zieke vrouwen en kinderen opnam, aan de vele dames die gaarne hielpen, aan de velen die voedsel, kleeding en versnaperingen gaven, aan ..... maar we willen niet verder gaan. Onze Gemeente bleef niet achter en daarmede zij alles gezegd.
Hoe lang ze zullen blijven? Niemand die 't weet. Enkele willen reeds terug, doch de terugtocht zal ook door 't Rijk worden geregeld gelijk de toezending door de Regeering geregeld was, die ook de grootste kosten draagt".

Op 12 oktober komt de tweede grote groep van 130 vluchtelingen aan.
Dan wordt de toestroom minder: de rest van de maand oktober komen er 22 vluchtelingen aan, in november 1914 zijn het er 27 en in december nog eens 45. Tot oktober 1915 komen er in dat jaar nog eens 77 vluchtelingen bij. Al met al een totaal van 454 mensen die in Soest moeten worden opgevangen!

Wie kwamen er naar Soest?
De totale groep van 454 vluchtelingen bestond uit 292 vrouwen en 162 mannen. Begrijpelijk omdat de meeste mannen nog aan het vechten waren tegen de Duitsers.
De gemiddelde leeftijd van de vluchtelingen was slechts 23 jaar. Een kwart van de groep bestond uit kinderen jonger dan 10 jaar, zo'n 60% zat in de leeftijdscategorie tussen de 10 en 39 jaar. Dan waren er nog 59 mensen (= 13 %) tussen de 40 en 59 jaar en de resterende 11 personen waren ouder dan 60 jaar.
De oudste vluchtelinge was de weduwe Anna Cornelia Josefina Semang geb. Vekemans, geboren op 13 oktober 1833 die net voor haar 81e verjaardag in Soest aankwam.
De jongsten in de groep waren 9 baby's. Eén daarvan n.l. Alphons de Moor was tijdens de vluchtreis geboren. Hij werd op 24 september op de reis geboren. Op 12 oktober kwam hij met zijn moeder aan in Soest.
Deze mensen verbleven kort in Soest, op 20 november 1914 vertrokken ze weer naar België.

Hele families op de vlucht
Van de 454 vluchtelingen waren er 105 die alleen naar Soest zijn gekomen. De rest had één of meerdere familieleden bij zich. Er waren onder hen drie families met 8 leden, één familie met 9 leden en de familie Stuyck was met tien leden de grootste.

Achtergronden van de vluchtelingen
Bijna 80% van de vluchtelingen stond op de lijst geregistreerd als zijnde zonder beroep.
Voor zowel er wel beroepen zijn genoemd komt de dokwerker op de eerste plaats (19 maal genoemd) En jawel er waren ook 2 dokwerksters! Verder een hele lijst met deels vrijwel uitgestorven beroepen en ouderwetse benamingen als: Dienstmeisje, Kinderjuffrouw,Fabrieksmeisje,Fabriekswerkman, Krantenverkoper, Kruier, Nachtwacht, Pakhuisknecht,  sigarenmaker, Spooremployé, Stationschef, Stoker,Strijkster, Suikerbakker, Voerman, Waschvrouw en Werkman en Werkvrouw.

Herkomst
Verreweg de meeste vluchtelingen kwamen uit Antwerpen en omgeving.
Daarnaast waren er die uit steden als Luik, Brussel en Deurne kwamen. Eén groep bestaande uit een directrice en 2 "geleidsters" (de zussen Melanie en Rosalie Rogiers) en 17 kinderen kwam uit een herstellingsoord in Wenduyne. (nu gemeente Den Haan)

Waar werden al die mensen ondergebracht?
Het was natuurlijk een hele opgave om de grote groepen vluchtelingen snel onderdak te bieden. Bijna honderd van hen werden in de Openbare Lagere School vlakbij station Soest
ondergebracht. Verder ging eenzelfde aantal naar de Rembrandtzaal. Ook waren er in Soest diverse herstellingsoorden zoals Trein 8.28 en Vakantiekolonie de Stompert. Ook daar konden mensen terecht. Tot slot waren er onderkomens bij de plaatselijke herbergen en bij particulieren.

De organisatie van de opvang
De Nederlandse regering huldigde het standpunt dat de opvang van vluchtelingen in eerste aanleg aan particulieren moest worden overgelaten.
Daarvoor waren er over het hele land verspreid Provinciale Vluchtelingencomités opgericht. 
Voor Soest was hoofdonderwijzer G.H. Veenstra afgevaardigde in het Utrechts Provinciale Vluchtelingen comité. Hij was de man die zich op voortreffelijke wijze voor de Belgische vluchtelingen in Soest heeft ingezet. Hij stelde bijvoorbeeld 'zijn' school in de Kerkebuurt ter beschikking.

Het was vanzelfsprekend een gigantische organisatie om de Belgen op te vangen en onderdak te verschaffen. In Soest werd daarvoor in hoofdzaak een beroep gedaan op particulieren, al was hier en daar (St. Josephgesticht, Trein 8.28, openbare school in de Kerke buurt) ook wel plaats voor kleine groepen. Niet minder omvangrijk waren e voedselverstrekkingen aan de vluchtelingen, meestal op centrale uitgifiepunten. Degenen die vluchtelingen onderdak boden, konden bij de gemeente de kosten declareren. Op 'den 27 en October 1914' brachten 'Burgemeester en Wethouders der gemeente Soest ter openbare kennis dat alle rekeningen voor leverantiën, kosten van nachtlogies, voeding enz. ten behoeve van de te Soest verblijf houdende vluchtelingen (uitgezonderd die van Trein 8.28) vergezeld van de verstrekte bons moeten worden ingeleverd vóór of uiterlijk op 2 November 1914.
Plakzegels moeten eventueel in rekening gebracht worden. Bij latere indiening kan geene betaling meer geschieden. 
Belgische Vluchtelingen konden ingezet worden voor werkzaamheden; hier staan enkele vluchtelingen die bij Fugers werkzaamheden verrichtten.

Voor verdere algemene achtergrond informatie zie Bijlage III

Het vertrek van de burgervluchtelingen
Het beeld kan bestaan dat de vluchtelingen hier gedurende de hele Eerste Wereldoorlog zijn gebleven. Het tegendeel is waar: voor zover geregistreerd (blijkbaar vertrokken nogal wat mensen op eigen gelegenheid en met stille trom uit Soest) was eind 1914 in elk geval zo'n 60% van alle burgervluchtelingen weer uit Soest verdwenen. Verreweg de meesten terug naar België. Daarnaast ging er een groep van 44 mensen naar Egmond aan Zee en was er een groep van 11 personen naar Engeland afgereisd.

Voor verdere informatie zie bijlage IV.
(NB: de groep in Kamp Zeist geïnterneerde militairen heeft wel de hele oorlog in Nederland doorgebracht.)

Met dank aan: Gemeente Soest/ Joop Akker, Ton Hartman/ Historische Vereniging Soest-Soesterberg, Jan van Steendelaar

-----

BIJLAGE 1

Achtergrondinformatie Val van Antwerpen
Op 2 augustus 1914 verlangde Duitsland een vrije doortocht door België.
Deze werd op 3 augustus door de Belgische regering geweigerd. Daarop trokken op 4 augustus de Duitse troepen vanaf de oostgrens België binnen (het Belgische leger was op 1 augustus gemobiliseerd). Zes uur na de inval trokken over de 13 spoorlijnen in westelijke richting 650 treinen per dag! Voor een onbelemmerde doorvoer moesten de Duitsers de forten rondom Luik en Namen uitschakelen. Van 11 tot en met 15 augustus werden de forten met zwaar geschut onder vuur genomen en daar bleken deze niet op berekend te zijn. Daarna begon de strijd om het hart van België en de run naar de kust om de havenstad Antwerpen in te nemen. Op 20 augustus wordt Brussel veroverd en op 23 en 24 augustus vallen Namen en Dinant.
Het Belgische leger trekt zich terug binnen de stelling van Antwerpen. De Duitsers buigen af richting Frankrijk en Parijs en laten de Belgen in Antwerpen tot eind september ongemoeid.

Onder dreiging van algehele vernietiging verlaten de overgebleven Belgische troepen (30.000 man) op 7 oktober 1914 Antwerpen en vluchten naar Nederland. Een groot deel van deze militairen wordt uiteindelijk gedurende 4 jaar in Kamp Zeist in Soesterberg geinterneerd. 

Door het overrompelende en vaak brute optreden van de Duitse troepen sloeg ook een groot deel van de burgerbevolking op de vlucht en belandde zo aan de Nederlandse grenzen.
In Antwerpen was een pontonbrug over de Schelde aangelegd. De overhaaste vlucht leidde tot chaotische toestanden bij de toegang tot de brug.

De militaire situatie/mobilisatie maakte dat deze grote vluchtelingenstroom zo snel mogelijk weg moest van de grens.
Dit lukte het beste door de mensen via het spoor naar het binnenland te transporteren (het zou maar zo kunnen zijn dat de treinen gemobiliseerde militairen naar de grensstreek
vervoerden en vervolgens weer beladen met vluchtelingen terug gingen).

-----

BIJLAGE II

Uitgeputte vluchtelingen
Hoe schrijnend het leed van de in Limburg neergestreken Belgen ook was, het viel in het niet bij dat van de maar liefst één miljoen uitgeputte Belgen die in het begin van oktober 1914 naar ons land kwamen. Het Antwerpse gemeentebestuur had de bevolking aangeraden om de stad - die ieder moment door de Duitsers kon worden gebombardeerd - onmiddellijk te
verlaten. De meeste inwoners van de stad en omgeving sloegen op de vlucht. Een aaneengesloten file van voetgangers en wagens strekte zich uit
van Antwerpen tot aan de Nederlandse grens.

Treinen reden vanuit het Belgische grensplaatsje Essen om de uitgeputte vluchtelingen naar ons land te vervoeren. De treinstations raakten overvol.
Vijfhonderdduizend Belgen zochten hun toevlucht in Noord-Brabant, vierhonderdduizend in Zeeland en honderdduizend in Limburg. De plaatsen Roosendaal en Bergen op Zoom - die in Brabant de meeste vluchtelingen kregen te verwerken - veranderden in Belgische steden. De toegangswegen tot de stadjes raakten verstopt door de kilometerslange stoet van hongerige, verzwakte en paniekerige Belgen.

Een ooggetuige beschrijft begin oktober 1914 in de De Telegraaf hoe honderdduizend Belgische vluchtelingen Bergen op Zoom - een stadje van slechts zestienduizend inwoners - overspoelden. 'Eén defilé van voetgangers, wagens, karren, rijtuigen, kinderwagens, kruiwagens - al wat wielen had - met blinden, zieken, lammen, kinderen, ouderen en huisraad
schoof voorbij. Kinderen werden langs de weg geboren. Soldaten liepen te huilen.' Een verslaggever van de Nieuwe Tilburgsche Courant meldt dat in zijn stad niet alleen alle huizen en gebouwen vol lagen met Belgen, maar dat zij ook alle straten vulden, van gevel tot gevel, en er geen open plekje meer te vinden was op de Groote Markt.

Duizenden vluchtelingen, waaronder zieken, invaliden en kleine kinderen brachten - ondanks de vorst - de nacht door in weiland, akker, bos of gewoon op straat, omdat zij niet meer  verder konden.
In een opwelling van nationale liefdadigheid zetten de Nederlanders - die ondanks de neutraliteit best iets van de oorlogssfeer en het gevoel van saamhorigheid wensten te proeven -
zich weer massaal in voor de Belgische 'oorlogsslachtoffers'. De ontheemde Belgen gingen een belangrijk deel uitmaken van het maatschappelijk leven in de zuidelijke provincies. Bijna iedereen nam wel een Belg in huis.
Overal verschenen wanhopige oproepen van Belgen, op zoek naar familieleden die ze tijdens de chaotische vlucht uit het oog hadden verloren. De Nederlandse dagbladen stonden vol met advertenties en in treinstations werden briefjes opgehangen.
Op muren en schuttingen schreven naam met daarachter hun tijdelijke woonadres in Nederland. De Centrale Commissie wist uiteindelijk zestigduizend zoekgeraakte personen op te sporen en te herenigen met hun familie.

-----

BIJLAGE iii

Achtergrond informatie opvang vluchtelingen
Koningin Wilhelmina liet er in de troonrede van 15 september 1914 geen misverstand over bestaan. Alle vluchtelingen zouden met open armen worden ontvangen. De Nederlandse bevolking toonde zich eveneens van haar beste kant. Lokale particuliere hulpcomités schoten als paddenstoelen uit de grond. In Amsterdam werd het landelijke Nederlands Comité tot
steun van Belgische en andere vluchtelingen opgericht, in de volksmond het Amsterdams Comité. Er verschenen advertenties in De Telegraaf en het Handelsblad die een massale inzameling van geld en kleding voor de Belgen in gang zetten.
De Nederlandse regering reageerde laat en aarzelend op de massale toestroom van vluchtelingen. Zij zag - in overeenstemming met de denkbeelden van die tijd - in de opvang van economisch zwakkeren of vluchtelingen geen taak weggelegd voor zichzelf, maar voor welgestelde burgers. Ze greep pas in toen het besef doordrong dat de vluchtelingen langere tijd in Nederland zouden verblijven en de particuliere hulporganisaties de massale toestroom van Belgen niet meer aankonden.
Op 21 september 1914 werd een Centrale Commissie tot behartiging van de belangen der naar Nederland uitgeweken vluchtelingen opgericht. De commissie ressorteerde onder het ministerie van Binnenlandse Zaken en maakte dankbaar gebruik van het netwerk van het particuliere Amsterdams Comité, met wie zij nauw ging samenwerken.

Vluchtelingen en lokaal beleid
In de eerste maanden van de oorlog vluchtte ruim een miljoen Belgen naar ons land, de grootste vluchtelingenstroom uit de Nederlandse geschiedenis. De bevolking in Nederland nam daardoor toe met ongeveer 15%: van 6,2 miljoen tot circa 7,2 miljoen.
Zoals gezegd kregen vooral gemeenten in de aan België grenzende provincies het in die eerste oorlogsmaanden zwaar te verduren. De vluchtelingen moesten immers worden gehuisvest en gevoed. De regering verklaarde de vluchtelingen met open armen te ontvangen, maar de feitelijke opvang vond op lokaal niveau plaats.
De gemeentelijke overheid zorgde, vaak in overleg met het plaatselijk particulier initiatief, voor (tijdelijke) huisvesting door bijvoorbeeld openbare gebouwen beschikbaar te stellen of te bemiddelen bij andere accommodaties. Hoewel het merendeel van de Belgische vluchtelingen na enige maanden weer naar België terugkeerde of naar Engeland vertrok, brachten circa 100.000 burgervluchtelingen de oorlog in ons land door - voor een deel in vluchtelingenkampen, eufemistisch vluchtoorden genoemd.
Het beleid was erop gericht de vluchtelingen over het land te spreiden en veel gemeenten herbergden dan ook Belgische vluchtelingen. In september 1914 richtte de rijksoverheid
'De Centrale Commissie tot behartiging van de belangen der naar Nederland uitgeweken vluchtelingen' op die als taak kreeg de hulpverlening te regelen en coördinerend op te treden voor de vele plaatselijke comités. Een aardig detail is dat in de Centrale Commissie, maar ook in de decentrale organisaties, nogal veel bestuursleden van de Verenigingen voor
Vreemdelingenverkeer zitting hadden, aangezien men meende dat die deskundig waren op het gebied van vreemdelingen.

De gemeentelijke betrokkenheid bij de opvang van vluchtelingen was divers van aard. De rijksoverheid, al dan niet via de Commissaris van de Koningin, stuurde voortdurend richtlijnen over tal van kwesties waarin gemeenten een taak hadden bij de uitvoering, zoals over de hoogte van de uitkeringen, de voedselverstrekking* en het beleid met betrekking tot de terugkeer. Daarnaast vervulden gemeenten samen met de plaatselijke comités ook facilitaire functies, zoals op het terrein van huisvesting, onderwijs en recreatieve voorzieningen.

Een voorbeeld:
Begin 1915 schreef het Utrechts Provinciaal Comité voor hulp en ondersteuning aan Belgische vluchtelingen het volgende:
'Aangaande de voeding teeken ik aan dat de Gemeentebesturen zich zoveel mogelijk moeten houden aan de door de regeering gestelde maxima. Dagelijksche verstrekking van vleesch is niet noodig te achten. Een enkele maal -niet meer dan twee malen per week- is voldoende. Wel kan ook zo nu en dan spek worden gegeven. Natuurboter mag niet worden gebruikt. Het is niet noodig dat steeds uitsluitend melk wordt verstrekt. In z.g. ondermelk (afgeroomde melk) is nog een zeer hooge voedingswaarde aanwezig.
Deze melk is vermoedelijk wel in elke gemeente verkrijgbaar. Bier mag niet in rekening worden gebracht, sigaren evenmin. Wel kan nu en dan aan mannelijke vluchtelingen wat tabak worden gegeven'.

-----

BIJLAGE IV

Achtergrond informatie vertrek Belgische burgervluchtelingen uit Nederland
Reeds op 12 oktober begonnen de onderhandelingen tussen de Belgische overheid en de Duitse bezetters over de terugkeer van de burgerbevolking. (Antwerpen was door het plotselinge vertrek van zoveel bewoners een spookstad geworden) 
De Nederlandse regering bemoeide zich niet met deze onderhandelingen maar oefende wel 'zachte drang' uit om zoveel mogelijk Belgen naar huis te laten terugkeren. In november 1914 waren nog 323.600 vluchtelingen geregistreerd; in december 1914 was dit aantal nog 200.000 en in mei 1915 werd het aantal van 105.000 bereikt; dit aantal is gedurende de
gehele oorlog ongeveer constant gebleven.

Contact

Historische Vereniging Soest/Soesterberg
Steenhoffstraat 46
3764 BM Soest




De Historische Vereniging Soest/Soesterberg heeft een ANBI-status.

Word lid

Lid worden van de Historische Vereniging Soest-Soesterberg.

Lid worden

Sponsor

Historische Vereniging Soest / Soesterberg is mede mogelijk gemaakt door:

Reto